Strand stop nummer 2 ligt 30 km verderop en heet Mirissa. Het is er een stuk drukker en toeristischer dan Dickwella. Ons hoofddoel hier is walvissen spotten. Het seizoen is goed, want de walvis migratie is in volle gang. Helaas geen blauwe vinvissen of potvissen gezien, maar wel deze beauty’s van vinvissen (maar liefst 3 stuks en een puppy walvis):
Een reuze manta:
En wel 100de dolfijnen:
Verder heeft Mirissa een mooi strand:
Coconut hill:
En een (not so) secret beach:
En er is weer veel lekker eten en gezelligheid, met onze Engelse buren en de huis kikker:
Zo zijn er dus weer 4 dagen in een vloek en een zucht oftewel een poep en een scheet voorbij gevlogen.
Zo gezegd zo gedaan, 1 dag later stonden we aan het strand in het zuiden van het land. We wisten niet wat we konden verwachten van Sri Lanka als strandbestemming. Nou, we kunnen je nu met volle overtuiging vertellen dat ze prachtige stranden hebben! Dickwella is een leuke badplaats, met veel leuke eettentjes en strandbarretjes, verwacht wel geen nachtleven, zoals tot nu toe nog nergens in Sri Lanka. Hiriketiya, voor het hippe surfvolk:
Het Dickwella strand als rustiger en breed zandstrand om te zwemmen, wandelen en lekker met een cocktailtje genieten van de zonsondergang:
In de buurt zijn nog vele andere stranden te bezoeken, zoals blue beach (island):
Ze hebben (naar eigen zeggen) de op een na grootste blow hole (Hummanaya) van de wereld:
Het meest zuidelijke puntje van Sri Lanka, Dondra head:
De eerste 4 dagen relax stand zitten erop en die zijn ons prima afgegaan.
Onze hele Sri Lanka reis was eromheen gepland; de Kandy naar Ella trein, een van de mooiste treintrajecten van de wereld. De kaartjes gaan 1 maand van te voren in de verkoop (zitplaatsen). Dus toen we zo’n 3 weken geleden bedachten dat we naar Sri Lanka zouden gaan, hebben we meteen kaartjes geboekt, bij een “betrouwbare” boekingspagina. De ochtend trein was toen helaas al vol, dus we hadden de 12:45 trein, wat inhoudt dat je het laatste uurtje in het donker tuft. Maar dat mocht de pret niet drukken, 6 uur lang mooie uitzichten. De partner van deze “betrouwbare” boekingspagina gaf aan dat we de kaartjes pas de ochtend van vertrek om 05:00 zouden ontvangen. 14 Februari, 05:00, brr brr gaat de telefoon. Vol verwachting klopt ons hart…. “Regret to inform you that the operator Sri Lanka Railways has cancelled your reservation and we are unable to allocate seats for you on the train today” Luidde het berichtje. What the 🤬 Daar konden we het dan mee doen. Maar weer snel internet openen, de enige opties waren 7 uur staan in een over-, over-, overvolle 3de klasse treinstel of het traject met de tuk tuk rijden. Tuk tukken dan maar, De jongen afgebeld die eigenlijk onze tuk tuk van Kandy naar Ella zou rijden en zelf dan maar weer op pad.
Ook met tuk tuk was het een hele mooie route, door thee plantages:
We hebben flink wat extra afslagen genomen, voor watervallen:
Kotmale dam:
We komen zelfs in het promotie filmpje van Sri Lanka:
Na 8,5 uur kwamen we in het toeristische Ella aan. Qua tourisme erg druk ten opzichte van de voorgaande plekken waar we waren. Gelukkig zaten we op een plekje hoog in de bergen. Met dit uitzicht als ontbijt:
Veel aapjes, eekhoorns, hertjes, vuurvliegjes en vele vogels als huisdieren:
Hier hebben we eindelijk weer eens wat lichaamsbeweging gehad door middel van flinke wandelingen. Naar little Adams peak:
Nine arches (bekende brug waar die beruchte en gemiste trein over heen komt):
Ella rock (door grote bosbranden de eerste 2 dagen niet bereikbaar, maar onze laatste dag mochten we hem weer beklimmen):
Nu op naar de kust, nog 2 weken in relax stand voordat we weer naar huis komen.
Weer zo’n 70 km verderop ligt de stad Kandy in het midden van het land. Het is de 2de grootste stad van het land, met zo’n 112.000 inwoners. Het ligt op 500 meter hoogte tussen mooie groene bergen in, waardoor het in de avond lekker afkoelt naar zo’n 20 graden.
“Temple of the sacred tooth relic” oftewel “Sri Dalada Maligawa” oftewel “tempel van de heilige tand” is de belangrijkste bezienswaardigheid en tevens een van de meest heilige Boedhhistische pelgrimsoorden ter wereld. De naam spreekt voor zich, er ligt een tand. Niet zo maar een tand, maar de linker bovenste hoektand van Boedhha. De tand is niet te zien, hij ligt verborgen in 7 in elkaar vallende gouden kistjes. De stad die de tand in handen had, kreeg ook meteen het recht om te regeren. Zo werd Kandy de hoofdstad tussen 1592 en 1815, na bijvoorbeeld Anuradhapura. Kandy was de laatste koningsstad en daarbij hield het verhuizen van de tand ook op.
De tempel en het paleis liggen aan het mooie Kandy lake, waarin vele vissen, vogels, schildpadden en leguanen leven:
En de vliegende hond hangend aan de bomen rondom het meer. Bij schemering kun je hun vliegkunsten aanschouwen:
Sri Lanka is geen groot land, het heeft dezelfde oppervlakte als Nederland en België samen. Dus de tuk tuk afstanden zijn gelukkig ook nooit enorm. 70 km was de volgende rit op weg naar Sigiriya, bekend om de Lion Rock oftewel Sigiriya Rock. Een grote steen in het midden van een jungle waar het fort van koning Kashyapa op gebouwd is in de 5de eeuw. De Lion Rock trekt heel veel toeristen en het schijnt weer alleen maar treintje lopen te zijn, dus wijken we uit naar buur rots, Pidurangala Rock. Hier geen lange rijen, geen fort, maar wel een mooi uitzicht op zijn befaamde buurman:
Vlakbij Sigiriya ligt Dambulla, waar de cave temple oftewel de golden temple is te vinden. Het bestaat uit 80 grotten, waarvan 5 heiligdommen. Alle grotwanden zitten vol met fresco’s, in totaal wel 2100m²:
En de gouden Boeddha, of ja beter gezegd, de half gouden Boeddha:
We sliepen zoals meestal in een gezellige homestay, bij een lief gezin. Ze hebben ons geleerd enkele van hun vele curry’s te maken:
Onze laatste stop alweer van deze 6 maanden durende overwintering. Sri Lanka dus!
Eenmaal aangekomen op Colombo zijn we meteen doorgereden naar Negombo. Dit is een kleinere stad boven het vliegveld. In Negombo eindigen we ook weer, dus hierover later meer.
Tijdens onze reis waren we al eens een enthousiast tuk tuk self-drive koppel tegen gekomen. Maar daarentegen ook weer enkele Sri Lanka reizigers die het stellig afraden (deze hadden trouwens zelf nooit tuk tuk gereden, maar met het oog op de drukte en soms chaos). Na wikken en wegen, en nog meer wikken en wegen, werd het een GO voor het tuk tuk avontuur. 24 Dagen lang het land door racen a 40 km per uur, vroem vroem. De tuk tuk was binnen een paar uur geregeld, Raimon had in mum van tijd zijn rijbewijs:
En we konden op pad met ons rood snelheidsmonster.
Deel 1; Negombo – Anuradhapura
De eerste 160km tukken naar onze eerste stop, de helige stad Anuradhapura, zitten erop, Raimon blijkt een geboren tuktukker. Knipperlicht moet hij nog uitvinden, maar de toeter weet hij op ieder moment te vinden, als een echte Singalees.
De stad Anuradhapura is in de 4e eeuw v.Chr. gesticht en was eeuwenlang de hoofdstad van de Ceylonese koningen. Voor het Boeddhisme is het een heilige stad, er staan dan ook vele stoepa’s, sommige met een hoogte van wel 80 meter. Deze stoepa’s werden gebouwd ter bescherming van Boeddhistische relikwieën:
De stoepa’s en omgeving zijn bezaaid, met deze grijpgrage schattige pestkoppen; de makaken, met hun mooie toupetje, oftewel de tempelaap:
De Ceylonhoelman:
Mihintale, de bergtop waar de start van het Boeddhisme gemaakt is in Sri Lanka:
Vanuit Anuradhapura maken we ook een dagsafari door het mooie natuurpark Wilpattu:
We werden gewaarschuwd dat als je safari’s in Afrika gedaan hebt, dit wel gaat tegenvallen. Daar hadden ze wel wat gelijk in qua aantallen en verschillende soorten wilde dieren. Maar het blijft wel een mooi park en een dagje dieren spotten is altijd leuk ter afwisseling. We hebben heel veel spot geluk gehad!
De beroemde Ceylonhoen, de nationale vogel van Sri Lanka:
Het Sri Lankaanse luipaard:
De Aziatische olifant:
De zeldzame lippenbeer, met puppy:
De enorme rotspython (alleen achterwerk te zien), een alligator en leguanen:
Het land bestaande uit meer dan 7000 eilanden, waarvan zo’n 3000 genaamd en 1000 bewoond.
Korte geschiedenisles: Vanaf 1543 zijn de Filipijnen voor dik 300 jaar van Spanje geweest. Het land is vernoemd naar de toenmalige kroonprins Filips II. De bekering van de bevolking van islam naar katholicisme is toen in gang gezet. Dit is ze gelukt want de mensen hier zijn nog steeds overtuigd kerkganger. Einde 19de eeuw begon de opstand. In 1898 ging Amerika zich ermee bemoeien en zo werd het de Spaans-Amerikaanse oorlog. Datzelfde jaar wonnen de Amerikanen en dachten de Filipijnen dat ze onafhankelijk werden verklaard, maar helaas de Filipijnen werd door Spanje aan Amerika verkocht. In 1934 werd een wet aangenomen die de onafhankelijkheid van het land in 1944 garandeerde. Maar in 1941 landden de Japanners tijdens WOII en in 1942 namen ze het land over. De herovering van de Amerikanen was in 1945, die veel verwoesting met zich meebracht. Maar uiteindelijk werden de Filipijnen echt onafhankelijk op 4 juli 1946.
De Filipino: Het is een aardig volkje, de constante lach zit er niet in, maar even in gesprek zijn ze allemaal, grappig, behulpzaam en aardig. Karaoke zit in hart en nieren, iedereen heeft thuis wel een karaoke setje en ze zingen onbeschaamd en vaak tenenkrommend uit volle borst mee. De Filipino’s spreken allemaal redelijk goed Engels, al zijn ze niet altijd goed verstaanbaar, ze lijken een stuk of 6 letters uit het alfabet verbannen te hebben. Ook komt het Spaans nog wat terug in hun Filipino taal, bijvoorbeeld: hoe gaat het is kumusta (verbasterd van como estas).
Het eten: Dat valt dan weer een beetje tegen ten opzichte van andere Aziatische landen. Buikspek zijn ze heel goed in. De adobo gerechten (vlees gemarineerd in azijn en soja) zijn okay. Maar verder is het niet heel speciaal. Weinig kruiden of smaak te vinden. Messen zijn schaars, je krijgt standaard vork en lepel bij je gerecht. Pluspunt is dat je altijd een kan drinkwater gratis bij je maaltijd krijgt.
De prijzen: Deze liggen over het algemeen wat hoger dan in de andere Aziatisch landen. Biertje krijg je met wat geluk voor €1,70 in een restaurant, keuze is dan San Miguel, of Red Horse. Maaltijden toch wel zeker tussen de €5 en €10. Wat wel spotgoedkoop is, is Filipijnse rum, voor €3 heb je een fles bruine rum in de winkel die goed te drinken is.
Vervoer: Sommige eilanden liggen ver uit elkaar, dus helaas moet er ook veel gevlogen worden om van A naar B te komen. De korte afstanden kunnen makkelijk per ferrie afleggen en deze zijn prima en niet te duur. Op de eilanden zelf, werkt de lokale bus heel goed, maar traag. De Filipijnse tuk tuk’s heten tricycle, het zijn eigenlijk motoren met een overdekte zijspan:
Dan heb je in de steden de jeepney (omgebouwde oude Amerikaanse trucks uit de WO II), hand opsteken en roepen waar je naartoe wilt:
Kukeleku: De hele dag door hoor je hanen kraaien, niet alleen in de ochtend, nee helaas kukeleku de hele dag door. Iedereen heeft wel een een paar hanen op de kweek voor een hanengevechten. Dit is een immens populaire lugubere bloedsport hier. De hanen krijgen een mesje aan hun poten om het gevecht te versnellen en degene die het overleefd wint. Er gaan miljarden in om. De verliezers worden trouwens na het gevecht wel geconsumeerd.
Wat trouwens ook een verademing in de Filipijnen is, is dat het een stuk schoner, op de weg, tussen de struiken en overal waar je kijkt, is dan in andere Zuidoost Aziatische landen.
Filipijnen is een prachtig land, qua natuur, strand en de onderwaterwereld. Er is nog zoveel meer te ontdekken. Een 8+ is hier voor ons ook zeker op zijn plaats.
En dan de hoofdstad van de Filippijnen, Manilla. We zijn er gestart en geëindigd, totaal 3 volle dagen. Tja, wat zal ik erover zeggen. Niet perse een must see, maar toch wel leuk voor even rond te hangen. Het lijkt wel een andere wereld als de rest van de Filippijnen. Bedelende kinderen en schaars gekleden vrouwen op de straathoeken en het voelt niet geheel veilig overal. Maar van de andere kant heeft het, het bruisende gevoel van een grote stad, hoge gebouwen, drukte, er valt goed te winkelen en ieder merk van maar enige betekenis is er te vinden.
We sliepen in de stad Makati, deze grenst aan Manilla, hier is het zakencentrum gevestigd met wel 1000 restaurants en bars. Ook de grote “malls” zitten hier. Tevens is dit een van de enige plekken waar je in de avond veilig over straat kunt lopen:
Het oude Spaanse ommuurde centrum van Manilla, al vele malen vernietigd door tyfonen, aardbevingen en een 2de wereldoorlog, maar steeds weer opgebouwd:
Het mega drukke en hectische Chinatown, stamt uit 1600 en is een van de oudste van de wereld:
Onze tijd in de Filippijnen zit er ook alweer op. Op naar de laatste bestemming.
Met de ferry komen we op Cebu eiland aan, daarna nog 3 uurtjes (voor een afstand van 50km) met de lokale bus vanuit Bato. Om de paar meter stopt de bus voor wuivende of roepende mensen die ook graag een plekje op de bus willen of er juist weer uit moeten. Het is een goedkope, gezellige maar trage boel. Eindhalte: Moalboal.
Moalboal is een gezellig toeristendorp, dat vooral bekend staat voor zijn, op een na grootste, sardine run, letterlijk vertaald sardientjes wedloop, van de wereld. Net voor de kust, ongeveer 10 meter zwemmen langs koraal, is er een klif in het water te vinden, bij deze klif zwemmen scholen van meer dan een miljoen sardientjes (internet als bron, zelf niet geteld). Als je tussen zo’n school gaat zwemmen, wijken ze allemaal tegelijk in hetzelfde patroon uit en zwemmen ze om je heen. Het lijkt wel een dans!
Ook zijn er veel mega zeeschildpadden te zien:
School sardientjes die uitwijken voor een schildpad:
We konden er geen genoeg van krijgen en zijn 2 dagen op pad gegaan met de sardientjes.
Veel sardientjes in de zee dus, maar geen een op de menukaart te vinden. Het gebied is namelijk beschermd, tegen menselijke honger.
En.., hoe kan het ook anders, wederom op weg met de scooter. Ditmaal voor een duik naar de Kawasan falls:
Vanuit Moalboal was het nog 3,5 met de lokale bus, wederom vol gezelligheid naar Cebu City. Enkel om de avond door te brengen voor de ochtend vlucht alweer terug naar Manilla.